Serinus mozambicus   

IBC-Link   Zang  IUCN-Redlist  Birdlife-Link

Mozambiquesijs

Serinus mozambicus (Ochrospiza mozambica)

Geografische verspreiding en biotoop

Mozambiquesijzen hebben in Afrika een enorm verspreidingsgebied: West Afrika, Oost Afrika, Zuidoost Afrika. Het gevolg daarvan is dat zich een groot aantal ondersoorten ontwikkeld heeft. In bepaalde delen van het enorme verspreidingsgebied wordt vastgesteld dat er sprake is van seizoensgebonden trek of van regionale trek. Het gebied waarin Serinus mozambicus zich ophoudt is zeer divers; open gebied met her en der struiken en bomen, tuinen, parken, savannes, landbouwgebied en ze worden zelfs aangetroffen in de nabijheid van woongebieden. Kenmerkend is dat er altijd water in de buurt is. Voedsel in de natuur; kleine zaden, jonge blad- en bloemknoppen, fruit, nectar uit bloemen en kleine insecten.

Grootte 11-13 cm

Geslachtsonderscheid en ondersoorten

De stelregel dat poppen altijd een ‘halsketting’ van grijze stipjes hebben, gaat voor de nominaatvorm en de meeste ondersoorten van Serinus mozambicus niet op. De popjes van de ondersoorten Serinus mozambicus punctigula en Serinus mozambicus caniceps hebben echter wel een min of meer duidelijke ring van grijs tot donkergroene stipjes of streepjes in de hals. In zijn algemeenheid mag gesteld worden dat poppen minder intensief geel of groen van kleur zijn, vooral in de flanken, en dat de tekeningen over het algemeen wat minder scherp zijn. Het onderscheid tussen de ondersoorten is op basis van de geïmporteerde vogels en de in de avicultuur nog aanwezige Mozambiquesijzen (vaak onderling gepaard) niet eenvoudig. De in het verleden meest geïmporteerde en ten gevolge daarvan, ook de meest gekweekte Mozambiquesijs, is Serinus mozambicus caniceps. Dit is een van de kleinere ondersoorten met een in het oog springende kenmerk; de (licht)grijze kleur op de kop bij zowel mannen als poppen. Serinus mozambicus barbatus is wat geblokter van vorm, olijfgroen op de kop en de U-vormige voorhoofdsband is iets breder en dieper geel dan bij S.m. caniceps. De teugel is bij S.m.barbatus dieper zwart. Zo ook de baardstrepen en daardoor meer contrasterend dan bij S.m.caniceps. De barbatus heeft verder een gele tot bleekgele band op het staartuiteinde en toont meer zwart met gele vleugeltekening. Ondersoort Serinus mozambicus granti toont een meer witte tot vuilwit/lichtgele band op de staartuiteinden. Deze ondersoort is ook iets groter, met een meer uitgesproken bestreping op het rugdek en een meer donkergrijze kopbevedering. Verder hebben de popjes een kleine witte vlek onder de snavel. Overige ondersoorten zijn:
-S.m.somaliyae
(goudgele buikkleur),
-S.m.vansoni
(weinig rugdek bestreping en bleekgroen),
-S.m.tando (groter en groener),
-S.m.punctigula (gelijkend op caniceps doch intensiever geel en minder grijs),
-S.m.grote
i (bleker en vagere koptekening) en
-S.m.gommaensis
.
De nominaatvorm is Serinus mozambicus mozambicus.

Bijzonderheden

Mozambiquesijzen behoren tot de veel geïmporteerde vogels uit Midden en Zuidoost Afrika. De belangstelling voor het kweken van deze vogels is vrij recent. Het kweken gebeurt het best in kweekkooien waarbij tralienestkastjes of traliekorfjes ter beschikking worden gesteld. Het nest wordt zowel van droog gras, kokosvezel als van lichtgekleurde materialen gebouwd. Het moment waarop deze vogels kweekrijp worden kan sterk variëren. Indicaties voor het in kweekconditie komen zijn het zingen van het mannetje en het zich ontwikkelen van de geslachtsorganen (tap bij de man/ dun bevederde bolle onderbuik bij de pop). Jongen worden meestal uit de krop gevoerd met eivoer, groenvoer, halfrijpe onkruidzaden, pinkies en enkele meelwormen en fruit. De edelzanger (Serinus leucopygius) en de Mozambiquesijs zijn de meest gehouden en gekweekte vogels van genus Serinus.

(29-10-2011)