Serinus hypostictus   

IBC-Link   Zang   IUCN-Redlist   Birdlife-Link

Afrikaanse Citroencini, Afrikaanse Citroensijs, Zuidelijke Citroencini

Serinus hypostictus (Serinus citrinelloides hypostictus, Dendrospiza hyposticta)

Geografische verspreiding en biotoop

De Zuidelijke Citroencini komt voor in oostelijke delen van Afrika; in het zuiden van Kenia, Tanzania, Soedan, Malawi en het noorden van Mozambique. Het zijn algemeen voor komende vogels levend in open landschappen. Vaak op hoogvlaktes. Er wordt vermeld dat de Zuidelijke Citroencini graag vertoeft in gebieden met veel regen en veel water. Voedsel wordt gezocht op de grond en in aren van zaaddragende planten van composieten als tandzaad (Bidens subspecies), distelachtigen en zonnebloemen, net als putters of distelvinken kunnen doen. Om die reden en omdat de Zuidelijke Citroencini net als de putter of distelvink een spitse snavel heeft leest men wel van verondersteld verwantschap tussen Serinus hypostictus, Serinus citrinelloides en Carduelis carduelis.

Grootte: 11-12 cm

Geslachtsonderscheid en ondersoorten

Van zuivere Zuidelijke Citroencini’s, behorend tot dezelfde (onder)soort, is het geslacht van volwassen vogels aan het uiterlijk vast te stellen. Het is raadzaam de vogels daarvoor in de hand te nemen en te letten op het zwartgrijze masker. Bij de mannen is dit masker wat uitgebreider en wat dieper van kleur dan bij de poppen. Belangrijk is te kijken naar het masker onder de snavel. Bij de man is dat masker volledig aanwezig. Bij de pop is het masker onderbroken; u ziet onder de snavel fijne streeptekening. De man is, vooral in de voortplantingstijd, dieper groengeel van kleur dan de pop, die op de bovenborst wat meer bestreping laat zien. In de updates van James F. Clements van december 2010 worden twee ondersoorten van de Zuidelijke Citroencini vermeld:
- Serinus hypostictus hypostictus; Zuidoost Kenia, Tanzania tot Malawi (nominaat)

- Serinus hypostictus brittoni; Zuid Soedan, west Kenia (lichtere maskerkleur)

In ‘Finches & Sparrows’ (P. Clement, A. Harris en J. Davis, 1999) wordt Serinus citrinelloides met een groot aantal ondersoorten genoemd die later, volgens enkele ornithologen, als zelfstandige soorten, kunnen worden beschouwd. Hiertoe behoren volgens die inzichten Serinus frontalis en Serinus hypostictus. Feit blijft dat duidelijk herkennen van S. citrinelloides, S. frontalis en S. hypostictus verwarrend blijft gezien de vele tussenvormen die zowel in de natuur als in volière-milieu zijn ontstaan.

Bijzonderheden

Voor vogels behorend tot het genus Serinus zijn Afrikaanse citroencini's en hun verwanten op enkele punten afwijkend van de andere Serinus soorten. Wij wijzen op de tamelijk spitse en fijne snavel, een snavel die van kleur verandert in de voortplantingstijd en nestjongen waarvan  de snavel van binnen opvallend gekleurd is. De Zuidelijke Citroencini laat zich horen met een 3- of 4 tonige roep. De zachte, twitterende zang doet denken aan de Europese putter. Voeren met een zaadmengsel voor putters of sijzen met extra aanvulling van fijne graszaden, eivoer, (diepvries) meelwormen en pinkies. Kan op verschillende momenten in het jaar kweken. Ook de rui vindt meestal meer keren per jaar plaats en bestaat dan uit het vervangen van enkele veren. Hebben de vogels op dat moment jongen dan stoppen de oudervogels niet met die te voeren. Waarschijnlijk zijn in het verleden vooral deze Zuidelijke citroencini's ingevoerd als ‘Afrikaanse Citroencini’. Daardoor is te verwachten dat het overgrote deel van het huidige bestand aan vogels in de Europese volières in feite bestaat uit deze voormalige ondersoort van Serinus  citrinelloides.

(24-08-2011)