Serinus sulphuratus 

IBC-Link   Zang   IUCN-Redlist   Birdlife-Link

Zwavelgele dikbek cini, Zwavelgele cini, Dubbele Mozambiquesijs, Brimstone kanarie

Serinus sulphuratus (Crithagra sulphuratus)

Geografische verspreiding en biotoop

De Zwavelgele dikbek cini leeft in de natuur in Zuid-Afrika en meer noordelijk daarvan gelegen landen als Zimbabwe, Rwanda, Kenia en Oeganda. Ook in het West-Afrikaanse Angola wordt Serinus sulphuratus aangetroffen. De afstand tussen de uitersten van verspreidingsgebied bedraagt duizenden kilometers. Karakteristiek voor het leefgebied van de Zwavelgele cini is open terrein met her en der begroeiing en de aanwezigheid van water in rivieren en meren. De vogel wordt ook gezien in gecultiveerde gebieden. Waarnemingen in het biotoop van deze Serinus soort geven aan dat ze leven van bloem- en bladknoppen, bloemen, zaden, granen en onrijpe peulvruchten. Het schijnt op te vallen dat veel gegeten wordt van vruchten. Er is melding, dat gejaagd wordt op vliegende termieten. De periode waarin de nesten in de natuur gevonden worden varieert van gebied tot gebied.

Grootte: 15-16 cm.

Geslachtsonderscheid en ondersoorten

Bij Zwavelgele dikbek cini’s die op kleur zijn (en in de avicultuur; soortzuiver) is de man net iets intensiever van kleur dan de pop, in het bijzonder de oogstreep en de vleugelbanden. Ook de baardstrepen van de man zijn scherper, meer contrasterend. Wat de ondersoorten betreft; er is geen absolute eenduidigheid en duidelijkheid.
-Serinus sulphuratus sulphuratus (nominaat) komt voor in het zuiden en zuidoosten van de Kaapprovincie. Deze grootste vogel heeft een gele keelvlek en is olijfgroen op de borst.
-S. s. wilsoni leeft in het westen van de Kaapprovincie en wordt ook gezien in Oranjevrijstaat, Natal, Transvaal en het zuiden van Mozambique. De verschillen met S. s. sulphuratus zouden zijn: wat kleiner, geler en minder aftekening van de keelvlek. Qua snavelgrootte zou er geen verschil bestaan tussen S. s. sulphuratus en S. s. wilsoni.
-S. s. sharpii, de kleinste in alle opzichten, wordt gesignaleerd in het oosten van Kenia, Oeganda, Zaïre, Zimbabwe en ook in het verder daar vandaan gelegen Angola. Deze ondersoort is bijna egaal geelgroen van kleur op de borst, lichte afscheiding van een keelvlek en zwakkere baardstreep. De snavel van deze ondersoort is minder volumineus dan van de nominaat. Volgens Clements Checklist worden de ondersoorten shelleyi en frommi niet meer erkend. Het veelvoud aan namen van Serinus sulphuratus duidt op het bestaan van verschillen in kleur, tekening en (snavel)grootte.

Bijzonderheden

Buiten de kweektijd zijn deze vogels, ondanks hun vrij forse snavel, niet agressief. Zijn de mannen en poppen in kweekconditie (te horen aan de zang, te zien aan de tap van de man en de dun bevederde onderbuik van de pop) dan kan het gedrag veranderen. Neem het zekere voor het onzekere en houdt deze vogels in de kweektijd paarsgewijs. Uit de kweekberichten is af te leiden dat de vogels niet in een bepaald jaargetijde kweekrijp zijn. De zin om zich voort te planten hangt af van de hoeveelheid licht, de daglengte (minimaal 14 uur) en ze prefereren een temperatuur van minimaal 15°C., hoewel ze lagere temperaturen goed verdragen. Zwavelgele dikbek cini’s maken gebruik van nesten en nestmaterialen die ook in zwang zijn voor kanaries. Voedsel bestaat uit een putter/sijzen mengeling, eivoer, bladgroen, knoppen van bomen en struiken, bessen en fruit. Levende en ontdooide diepvries insecten tijdens de opfokperiode met mondjesmaat en liefst meerdere keren per dag. In vergelijking met de mannelijke Geelbuik cini ((Serinus flaviventris) is de meest voorkomende Zwavelgele dikbekcini op de borst niet geel maar licht tot donkergroen van kleur. Geelbuik cini’s hebben geen gele keelvlek, zijn kleiner en iets slanker. De snavel is minder fors. Zwavelgele dikbek cini’s zijn altijd te herkennen aan de zware snavel.

(25-02-2012)