Serinus canicollis   

IBC-Link   Zang   IUCN-Redlist   Birdlife-Link

Grijsnek cini, Kaapse kanarie

Serinus canicollis

Geografische verspreiding en biotoop

De Grijsnek cini wordt hoofdzakelijk aangetroffen in het zuiden van Afrika en leeft in een uitgestrekt gebied van de oostkust tot de westkust. Serinus canicollis – de cini met de grijze (‘= cani") nek (= ‘collis’) verkiest een subtropisch tot tropisch klimaat waar ook in het koude jaargetijde geen of nauwelijks vorst voor komt. Het natuurlijk leefgebied van de Kaapse Kanarie wordt gekenmerkt door een veelheid aan bomen en planten. Van de Grijsnek cini wordt vermeld dat hij eet van diverse onrijpe onkruidzaden, grassen, boomzaden en distelachtigen en zachte zonnebloempitten uit de kroon. Op natuurfoto’s van Serinus canicollis ziet men de vogels bijna altijd de zaden uit de aren, dus boven de grond, eten. De nesten in de natuur worden gevonden in de periode van september tot en met februari met een piek in november. Deze periode is vergelijkbaar met het voorjaar / begin van de zomer in Europa. Soms vindt men solitaire nesten, soms in nesten in semi kolonieverband. De zang van het mannetje is een mengeling van geluiden gelijkend op de twitterende zang van de putter (Carduelis carduelis).

Grootte: 13 cm.

Geslachtsonderscheid en ondersoorten

Het volwassen mannetje onderscheidt zich van het popje door een intensiever gele kopkleur (soms met oranje zweem), helderder grijs in de nek en de zwartere buitenste slagpennen en meer contrast en tekening op de vleugeleinden.

Er zijn drie ondersoorten; S. canicollis canicollis, S. c. griseitergum en S.c. thompsonae. Bij de laatste neigt de kopkleur naar oranje. S.c. griseitergum is groener van kleur en de mantel is meer gestreept. In sommige handboeken wordt Serinus canicollis flavivertex als ondersoort genoemd. S. flavivertex (Geelkruin cini) heeft beduidend minder grijs in de nek en wordt wel eens verwisseld met Serinus syriacus (Syrische cini) die echter minder zwart in de vleugels heeft. De Geelkruin of Geelschedel cini (S. flavivertex) leeft in de natuur meer noordelijk in Afrika: Ethiopië, Sudan, Oeganda, Kenia en het noorden van Tanzania.

Bijzonderheden

De Kaapse kanarie maakt in de natuur gebruik van de aanplant van pijnbomen en fruitbomen zoals perziken en citroenen waarin genesteld wordt. Uit onderzoek van de maaginhoud van de Grijsnek cini in Zuid-Afrika blijkt dat deze vogels vooral eten van verschillende zaaddragende composietplanten zoals paardenbloemen, biggekruid, leeuwentand, margrieten, madeliefjes en klein hoefblad. Bij de balts laat de zingende man de vleugels een beetje hangen waardoor de groengele stuit goed zichtbaar is. S. canicollis behoort tot de cini’s die het best gevoerd kunnen worden met een zaadmengeling zoals onder naam van een putter/sijzen mengsel aangeboden wordt. De Kaapse kanarie wordt niet vaak aangetroffen in de avicultuur. Om er mee te kweken is het belangrijk rekening te houden met de natuurlijke kweektijd dat wil zeggen in het najaar, winter en vroege voorjaar in Europa.

(24-12-2011)